Uiterlijk leek het misschien op een grap, maar de actie van de broers Reint en Albartus Dijkema was weloverwogen en kwam voort uit diepe verontwaardiging. Toen in mei 1942 het dragen van een jodenster verplicht werd, naaiden de broers zelfgemaakte sterren op hun kleding, waarmee ze door onder andere de Folkingestraat liepen, waar destijds veel Joden woonden. Ze werden gearresteerd en zes weken opgesloten in Kamp Amersfoort, waar ze hardhandig werden 'heropgevoed'.
Die heropvoeding bleek echter een averechts effect te hebben. Na zijn vrijlating raakte Dijkema steeds meer bij het verzet betrokken. Hij voerde overvallen uit en werd ondanks zijn jonge leeftijd coördinator van de verzamelde Groninger Knokploegen.
Geraakt
Dijkema en zijn verzetsvrienden raakten verwikkeld in een kat-en-muisspel met de Duitse autoriteiten. Regelmatig werden er verzetsmensen opgepakt, niet in de laatste plaats door toedoen van Anne Jannes Elsinga, het hoofd van de Bijzondere Recherche. Het verzet gaf Dijkema eind 1943 de opdracht om Elsinga te liquideren. Op oudejaarsdag 1943 schoot Dijkema Elsinga dood terwijl deze over de Eendrachtsbrug in Groningen fietste. De bezetter nam wraak door zes prominente Groningers te doden (een zevende kreeg bij zijn aanhouding een hartaanval) en door zesendertig gijzelaars op te sluiten in Kamp Vught. Dijkema voelde wroeging over de doden die door zijn hand waren gevallen en was bijna twee maanden lang niet in staat verzetswerk te doen.
Toch zou Dijkema weer opkrabbelen. Bij de beroemde overval op drukkerij Hoitsema in Groningen op 17 mei 1944, was hij een van de leidende figuren. Deze overval zou de geschiedenis ingaan als de grootste bonkraak van de Tweede Wereldoorlog: er werden ruim 130.000 bonkaarten buitgemaakt.
Arrestatie
Begin juni 1944 werd Dijkema herkend door een oud-klasgenoot die voor de bezetter werkte. Hij werd bij zijn arrestatie in zijn arm geschoten en vervolgens naar het Scholtenhuis overgebracht. Daar werd hij gemarteld, maar tijdens een van die gewelddadige verhoren wist hij het geweer van een van zijn bewakers te bemachtigen en deze te doden. Dijkema hoopte waarschijnlijk dat hij ter plekke gedood zou worden, zodat hij geen informatie meer zou kunnen loslaten. Hij werd echter zwaar mishandeld.
Tijdens acht dagen verhoor en marteling nam Dijkema de schuld op zich van alles wat hem ten laste werd gelegd. Hij noemde echter geen andere namen en vond steun in zijn geloof. Op 18 juni 1944 werd hij per brancard – lopen kon hij niet meer omdat zijn voeten gebroken waren – vervoerd naar Kamp Vught. Daar werd hij op 22 augustus gefusilleerd.