Groninger verzetshelden

Willem Dresselhuis - Winschoten

Geboren: 13 juli 1899, Drieborg

Gestorven: 30 december 1944, Neuengamme, Duitsland

Willem Dresselhuis werd geboren op 13 juli 1899 in Drieborg aan de Duitse grens en bracht daar zijn jeugd door. De familie had een smederij die men rond 1920 omtoverde tot een rijwielfabriekje. Ondanks de economische crisis gingen de zaken erg goed en in 1922 vestigden de twee broers Dresselhuis zich in Winschoten waar men een fabrieksgebouw en woonhuis liet bouwen.

Rijwielpaleis
De verkoop was in handen van Willem Dresselhuis die daardoor veel contacten had in het gehele land. Ook Noord-Duitsland behoorde tot zijn werkterrein. Willem sprak hierdoor vloeiend Duits en zag de politieke veranderingen in Duitsland in een vroeg stadium. In 1936 besloot Willem een winkel in het centrum van Winschoten te openen waar rijwielen en kinderwagens werden verkocht; rijwielpaleis Dresselhuys. In 1939 verhuisde Willem naar een statig pand aan de Venne. Zijn bovenburen waren de Joodse familie van Geuns; een ouder echtpaar met hun dochter. In het centrum van Winschoten waren vele Joodse winkeliers met wie Willem goed contact had, ook waren vele van zijn leveranciers van Joodse afkomst. Willem had in Duitsland gezien dat er onrechtvaardige maatregelen werden genomen tegen deze bevolkingsgroep.

Toen Nederland mobiliseerde werd hij op 40-jarige leeftijd chauffeur bij de vrijwillige Landstorm in Haarlem. Na de capitulatie keerde hij terug naar Winschoten waar hij hoorde dat zijn neef, collega en zielsverwant Eddo Hendrik Dresselhuis was gesneuveld. Eddo Hendrik reed met een groep soldaten toen ze onder mitrailleurvuur werden genomen terwijl ze de witte vlag droegen. Willem regelde een transport en haalde Eddo Hendrik, die al in een massagraf lag, op en bracht zijn lichaam naar Winschoten. Ondertussen haalde hij zijn zuster en haar kinderen uit het gebombardeerde Rotterdam en bracht ook hen naar Winschoten.

Pionier
Vanaf dat moment wist Willem het zeker; de Nazi’s moesten worden bestreden en vol vuur en overgave werd hij een pionier van het verzet in Winschoten. Hij spoorde mensen aan om zich te verzetten en niet passief toe te blijven kijken. Hij hielp waar hij kon, eerst in eigen kring maar dat breidde zich al snel uit. Zo werd hij lid van de Ordedienst Winschoten. Hij werkte niet alleen regionaal maar reisde ook veel naar het Westen waar hij onder andere contact had met de familie Flinterman wiens zoon een Engelandvaarder was en werkte voor de Royal Air Force.

Al in december 1942 werd hij gearresteerd op verdenking van Jodenhulp en andere illegale activiteiten en gedetineerd in het Huis van Bewaring in Groningen. Door een attest van huisarts Pot en de hulp van een verzetsman die advocaat was; J.F.S. Domela Nieuwenhuis Nijegaard, werd hij na zes weken vrijgelaten. Vanaf dit moment werd hij in de gaten gehouden en ging hij gebruik maken van een verbindingsman, met wie hij dagelijks contact mee had, F.F.H. Du Pré, om toch door te kunnen werken. Toen de Landelijke Organisatie voor Onderduikershulp werd opgericht, zocht men hem aan. Willem richtte zich op de voedselvoorziening en falsificatie van papieren. Hij hield zich bezig met zoveel activiteiten dat hij er een dagtaak aan had.

Infiltrant
In de loop der tijd vormde zich een kern van actieve verzetsmensen in Winschoten. Dominee A. Du Croix was één van die mensen, hij maakte gebruik van een koerier; Jopie. Deze leek betrouwbaar maar veranderde gedurende de oorlog van zijde. Eind 1942 verraadde hij zijn opdrachten aan de politiecommissaris Van Den Hof in Winschoten. Vanaf dat moment hield hij de groep in de gaten en gaf informatie door, ook over Willem.

De groep hield zich onder andere bezig met onderduikers, illegale pers, spionage, wapens, verbergen van aanslagplegers en met pilotenlijnen.

Ondertussen was het studentenverzet (mei 1943) in de stad Groningen uiteengevallen en doken de studenten massaal onder. Een medicijnenstudent; Jan Berend van Delden alias Van der Meij, vertrok naar het Westen, naar Bussum. Hij was bevriend met een jonge jurist, Joan Gelderman, die contact had met de leiding van de Landelijke Ordedienst. Beide jonge mannen waren zeer actieve verzetsmensen met een groot netwerk.

V-man
De Abwehr en SD maakten gebruik van V-mannen (vertrouwensmannen) die als spion infiltreerden in groepen om netwerken bloot te leggen. De V-man Carl Ludwig Huschka alias Karel Schreuder lukte het om in contact te komen met Van Delden en Gelderman. Hij gebruikte meerdere malen dezelfde tactiek; hij deed zich voor als verzetsman die bij de Duitse Abwehr werkte om informatie voor het verzet te verzamelen. Huschka was een bijzondere man die een talent had om mensen voor zich te winnen.

Nadat de groep Zwaantje in Delfzijl, die contacten had met ‘het Westen’ en Engeland, werd opgerold (21-7-1943) moest er een manier worden gevonden om het contact met deze regio te herstellen. Huschka ging, met medeweten van Van Delden, naar het Noorden om dit contact, zogenaamd, op te bouwen. De betrokkenheid van Van Delden was één van de redenen waarom men Huschka in Winschoten vertrouwde. Een andere reden was dat hij de koerier ontmaskerde als verrader. Ook bood hij zich aan, om samen met Van Delden, de fanatieke politiecommissaris Van Den Hof te liquideren volgens een plan van de Winschoters (maar de V-man waarschuwde Van den Hof waardoor deze nooit meer alleen was en de liquidatie niet door ging).

Onraad
In diezelfde tijd (31-7-1943) overleed het 10-jarige dochtertje van Willem Dresselhuis aan de ziekte dysenterie waardoor het contact met Huschka werd onderhouden door anderen uit de groep. Op een gegeven moment rook Willem onraad. Hij werd erg voorzichtig en wilde alleen nog contact met de groep via codes die op de zijkant van een luciferdoosje werden geschreven. Maar de V-man wist al genoeg: samen met de informatie van de koerier was er aanleiding om bijna 100 personen in de provincie op te pakken. De SD besloot echter alleen zo’n 20 mensen te arresteren, omdat er anders grote maatschappelijke onrust zou ontstaan.

Arrestatie
Toen de Abwehr een bericht van Van Delden naar Engeland onderschepte met vragen omtrent de identiteit van meerdere V-mannen, werd het tijd om toe te slaan (24 februari 1944). Eerst werden de mensen uit het Westen opgepakt, waaronder de Winschoter J.W. Woltjer die vanuit Bussum werkte. De groep in Winschoten dook onder. Toen enkele mannen weer tevoorschijn kwamen en er niks gebeurde, ging ook Willem Dresselhuis naar huis.
Diezelfde nacht, 14/15 april 1943, deed de SD invallen in de woningen van tenminste zes Winschoters en nog enkele personen rondom Winschoten. In totaal werden bijna 25 mensen opgepakt. Tijdens de inval vluchtte Willem het dak op. Toen men Willem niet aantrof, kwam de SD-er Lehnhoff hoogstpersoonlijk naar binnen en bedreigde de kinderen met een pistool, maar die wisten niet eens dat vader thuis had geslapen. Uiteindelijk vond men Willem achter een schoorsteen. De 14-jarige zoon van Willem Dresselhuis, Stef, wist dat zijn vader een kist met wapens en een radio en/of zendertje had verborgen in zijn kelder. Bij ontdekking zou dit grote gevolgen hebben gehad voor zijn vader. Hij alarmeerde een vriend van zijn vader die de verboden zaken, in de vroege ochtend, in een sloot net buiten Winschoten gooide.

Kampen
Du Croix, Du Pré, Jansen, Robertus, Dresselhuis, Stikker en later Wouda werden naar Groningen gebracht en zouden hier drie maanden blijven. Er volgden vele invallen en arrestaties, velen doken onder. Op 13 juli 1944 werden de zeven mannen naar Amersfoort of Vught gebracht. Toen de geallieerden in aantocht waren en de mannen de oorlogsgeluiden al hoorden, werd het kamp ontruimd. Op 11 oktober 1944 ging een groot transport richting Duitsland waar de mannen naar verschillende kampen werden gebracht. Willem Dresselhuis kwam in Neuengamme terecht. Overlevenden vertelden dat Willem zijn medegevangenen steeds moed insprak. Op 30 december 1944 stierf Willem Dresselhuis echter zelf door uitputting.