Groninger verzetshelden

Philippus Jacobus Greeven - Vriescheloo

Geboren: 23 april 1909, Leiden

Gestorven: 4 mei 1995, Norg

In 1939 was ds. Greeven reserve-legerpredikant; hij maakte de oorlogshandelingen mee in de meidagen van 1940 in Oost-Brabant en vervolgens trok hij zich met de troepen terug naar Zeeuws-Vlaanderen en verder naar Duinkerken, waar hij inscheepte op het vrachtschip ‘Pavon’; maar het schip verging na een Duits bombardement en hij kwam in het ziekenhuis van Calais terecht. Later begeleidde hij een groep Nederlandse soldaten vandaar naar huis

Dominee Greeven was later commandant van de OD in de regio Oost-Groningen; begin 1942 werd hij leider van het verzet daar (Bellingwolde, Oudeschans, Veelerveen en Vriescheloo) en in die tijd maakte hij ook deel uit van het netwerk van ds. Ader. Hij hielp onder meer een Franse vluchteling die om 3 uur ’s nachts bij hem aanbelde en ook joodse onderduikers. Zijn huis werd twee keer grondig doorzocht, maar men vond niets. In mei 1944 zag hij zich echter gedwongen om onder te duiken. Zo overleefde hij de oorlog.

Verhalen over de gebeurtenissen tussen 1940 en 1945 uit het verzetsleven van Philippus Jacobus Greeven, toentertijd predikant te Vriescheloo.

(door Jan S.A. Huizing, neef van dominee Greeven)
Een deel van deze verhalen staat in een iets andere versie in het boek:
Verzet in Groningen, 1986, Wolters-Noordhoff/Forsten, blz 156 - 158.

De fietstocht
Op een dag moest oom Philip naar een collega in het verzet te Blijham. Hij pakte dus de fiets en fietste in z’n eentje via Wedde, naar het adres waar hij moest zijn. Na de bespreking ging hij - met wat papieren in zijn binnenzak - weer terug. Na korte tijd fietsen zag hij dat er uit een boerderij in Blijham een andere fietser de weg op draaide. Hij zag dat die fietser meneer Z. was, ik meen zelfs dat deze man in de kerkenraad zat en oom fietste wat harder om hem in te halen, groette hem en ze fietsten samen verder naar Vriescheloo terug.

Nu waren er in Vriescheloo nogal wat NSB'ers en op de grens tussen Wedde en Vriescheloo stonden er een paar die iedereen controleerden. Maar Z. en de dominee niet, want Z. was ook NSB'er en - zo zullen ze gedacht hebben – Z. is samen met de dominee op pad gegaan en die is natuurlijk altijd bij hem geweest, dat zit dus goed. De heren konden dus gewoon doorrijden.

De tuinman
Oom Philip was opgeroeid in wat nog altijd de hoofd- en winkelstraat in Woerden is. Hij had dus totaal geen idee van tuinieren. Maar in Vriescheloo bloeide die liefde ineens op. Zo als bij iedere oudere boerderij of pastorie lag er een klein strookje gras tegen het huis aan. Hij ging zelfs stukjes van dat gras omgraven! Toevallig allemaal kleine stukje onder de grote ramen in het huis. En hij harkte ze ook regelmatig aan. Zo kon je namelijk de afdrukken zien van de schoenen van de NSB'ers die 's nachts weer met hun oren tegen het glas hadden staan luisteren!

De inval en de turf
Op een dag kwam er een inval van NSB'ers in het huis. Ze maakten echter de fout, om oom Philip niet direct te fouilleren. Terwijl hij papieren in zijn zak had, die niet in hun handen mochten vallen. Hij moest die kwijt voor ze hun fout konden herstellen! Het was wintertijd en de kachel brandde. Hij zei tegen zijn vrouw : 'Marie, gooi even wat turf in de kachel.' Zijn vrouw was zichtbaar zwanger en hij vervolgde: 'Ach laat maar, ik doe het zelf wel even.' Ongemerkt wist hij met de turf ook die papieren in de kachel te gooien.

De vluchtlijn
Aan de andere kant van de grens lagen ettelijke concentratiekampen voor politieke gevangenen, maar ook gevangengenomen piloten kwamen daar terecht. Naar een van die kampen (of meerdere?) had iemand een kaart gesmokkeld, waarop de route stond die ontvluchte gevangenen moesten lopen om in het eerste opvangpunt te komen, waar ze zouden worden opgevangen en verder geleid.
Mijn oom was hoofd van het verzet in Vriescheloo en dat eerste afhaalpunt waren twee houten wc’s achter de kerk in Vriescheloo. Mijn oom ging dan in de schemering naar die wc’s en klopte zachtjes op de deuren. Kwam er een klopje als antwoord, dan ging hij later in de nacht terug en haalde de ontsnapte gevangene eruit. Die verbleef dan een paar dagen of weken in de pastorie.
Hij had ontdekt, dat er een dubbele houten wand tussen twee slaapkamers op de verdieping zat, net ruim genoeg om daar tussen te kunnen staan. Twee losse planken opzij zetten en dan kon je er in kruipen. Als de kust veilig was, werden de ontsnapten verder geleid naar Blijham naar een boerderij, vanwaar ze weer verder werden bracht naar het zuiden.

Kramp in het been
Ook kwam er een inval terwijl er op de verdieping twee onderduikers zaten. Eén ervan was Philips jongste broer, die niet naar Duitsland wilde om daar voor de Duitsers te gaan werken en Woerden was ontvlucht, niet wetende dat Wedde een broeiplaats van NSB'ers was en dat er in Vriescheloo ook veel NSB'ers woonden. Hij zat daar met een Engelse piloot en ze rookten samen een sigaret. Plotseling hoorden ze gestommel beneden en dachten: dat is foute boel. De piloot kroop als eerste de schuilplaats in en mijn oom daarna. Hij stond nog niet goed, maar toen kwamen ze al binnen. Mijn tante had in die kamer een doos met oude schoolschriften van de kinderen in een hoek staan en daar vlogen ze op af. Niemand is het opgevallen, dat er kort daarvoor in die kamer was gerookt. De jongere broer van de dominee stond niet goed met zijn been en begon kramp te krijgen, maar zich verplaatsen was geen optie en hij moest op zijn tanden bijten. Weer niks gevonden!

De muizen
Omdat het toch niet veilig was, is die jongere broer naar onze boerderij gekomen (het oudste zusje van de dominee, mijn moeder dus, was intussen getrouwd met de nog vrijgezelle boerenzoon op het naast liggende boerenbedrijf) en daar heeft hij drie nachten geslapen in de kruipruimte achter de kelder in onze boerderij. Maar omdat hij het vreselijk vond dat 's nachts de muizen over zijn voeten liepen, was dat geen succes en hij ging weer naar de pastorie.
Korte tijd later is hij op een avond in vrouwenkleren op een damesfiets naar een onderduikadres in Wedde gegaan. Die vermomming was dusdanig dat de jongste zoon van de dominee zich hardop afvroeg of dat nou een man of een vrouw was. Hij kwam terecht bij de familie Kwant, 'ondercommandant' van het verzet in Wedde. Er waren daar twee dochters en met één van hen is hij na de oorlog getrouwd.
Eind 1943 zijn mijn ouders getrouwd. Het feestje werd gevierd met meerdere familieleden en in aanwezigheid van haar jongste broer, die toen dus op de pastorie zat ondergedoken.

De radio
Alle radio’s waren gevorderd, uiteraard ook bij de dominee en dat was onhandig, want oom Philip kon niet naar radio Londen luisteren. Wat kon hij daar aan doen? Op een avond ging hij naar zijn buren, familie Hendrik Tammes, timmerman bij de gemeente. Hij had een kastje gemaakt met wat knoppen eraan, dat hij had meegenomen. Hij keek er op en zei tegen Tammes: 'Volgens mij heb jij ergens hier in huis een radio verborgen, kijk daarmee uit, want de Duitsers hebben ook zo’n apparaat en als ze hem vinden ben je erbij”. Tammes geloofde hem, de dominee merkte dat en zei: 'Geef mij dat ding maar dan zorg ik er voor dat ze hem niet vinden.' De verbouwereerde Tammes gaf hem de radio mee. Mijn oom heeft de radio verborgen in de toren en luisterde daar in het vervolg naar radio Londen.
Ik vermoed dat hij daar wel een wat betere conditie van heeft gekregen.
De radio is ook een tijd verborgen geweest in de provisiekast in een blik met bruine bonen.

De verrader
Het volgende verhaal, over de Amerikaanse vliegenier is al deels in het boek verteld.
Ik zal nog enige details vermelden.
Toen hij door een Blijhamster werd gebracht, gaf hij zich uit als een Amerikaanse piloot. De Engelse piloot McLellen was toen al enige tijd in de pastorie. Het Engels van de “Amerikaan” viel mijn oom op. Hij nam McLellen apart en in vertrouwen en vroeg hem met hem te praten en goed op zijn woorden en uitspraak te letten. Voor sommige betekenissen gebruikt een Engelsman een ander woord dan een Amerikaan. Een paar dagen later vertelde hij mijn oom, dat hij gelijk had en dat het geen Amerikaan kon zijn.
Mijn oom had toen een dienstmeisje uit Vriescheloo, voor de tuin en de was en dergelijke. Zij kreeg van de 'Amerikaan' een brief, met de vraag of ze die op de post wilde doen, maar niks tegen de wilde dominee zeggen. Dat beloofde zij en zij kreeg de brief, waarmee ze naar mijn oom liep. Er stond een adres, naar ik meen, uit Hamburg op. Toen was Leiden in last! De man werd vervolgens weer terug naar een boerderij in Blijham gebracht. Er waren twee goede politieagenten in de gemeente Wedde en zij hebben opdracht gekregen om hem naar Groningen te brengen, zodat hij daar door een rechter kon worden berecht. Onderweg was te veel 'verkeer' en zij zijn toen teruggekeerd naar Blijham. Er is een rechter uit Groningen gewaarschuwd en deze moet hem in Blijham hebben verhoord en veroordeeld. Alles wat daar op gevolgd is, is bij de familie niet bekend. Mijn oom heeft dat nooit verteld. Als hij het al wist.
Er gaan daarover een aantal verhalen rond in het dorp. Sommigen hebben gezien dat de dominee in het schemerdonker een gat onder de heg aan het graven was, daar zou hij wel zijn begraven. Anderen hebben gehoord dat de man bij de zogenaamde “kom’n kolke” zou zijn gedood en daar begraven. En in het boek over de oorlog door Frits Korvemaker uit Blijham staan weer andere verhalen.

Het Scholtenshuis
Op een dag zijn de Duitsers binnen gevallen, hebben mijn oom van huis gehaald en meegenomen naar het Scholtenshuis in Groningen. Op dezelfde dag zijn ook invallen gepleegd bij de voorganger van de Baptistenkerk in Vriescheloo, de hoofdonderwijzer van de openbare school en de hoofdonderwijzer van de christelijke school in Vriescheloo. Meester Mulder van de christelijke school had op het laatste moment in de gaten wat er gaande was en vluchtte de achterdeur uit, het korenveld, dat naast en achter zijn huis lag, in Hij wist te ontkomen en kon in de buurt onderduiken. Hij is ook later niet gepakt.
De andere drie werden samen opgesloten in een 'kast' in het Scholtenshuis. Er was geen toilet aanwezig en één van de heren moest nodig plassen. Aangezien de mannen in die tijd allemaal een hoed droegen, was het hoofddeksel de enige mogelijkheid om de nood in te lenigen. Dit speelde zich af gedurende de nacht en licht was niet aanwezig. Helaas bleek, toen het licht werd, dat de hoed lek was.
Mijn oom werd ondervraagd door iemand die hij kende van de universiteit. Hij heeft de man kunnen overtuigen dat er in Vriescheloo een conflict speelde tussen de openbare en de christelijke school en dat daar de oorzaak gezocht moest worden van de invallen. Hij werd kennelijk geloofd en er was geen hard bewijs tegen hem of de anderen. Ze werden drie dagen later vrijgelaten.
De eigenaar van de hoed heeft hem toch maar weer meegenomen.

 

Herinneringen van een evacué aan 'Oom Phlip'

door Leida Bron-Gassan

Op 15 februari 1945 gingen mijn toen 7-jarige broertje en ik, net 11 jaar geworden, met een kinder-hongertransport vanuit Amsterdam naar een betere plaats, voor ons onbekend. Met een vrachtwagen gingen we via de stad Groningen en vandaar met een trein naar Winschoten, uiteindelijk op platte boerenwagens naar Vriescheloo. Daar werden we ontvangen door o.a. de dominee van het dorp die later voor ons oom Phlip werd. Hij koos mij als Amsterdams meisje uit om bij hun gezin in te trekken, dit voor zijn vrouw tante Marie, die zelf uit Amsterdam kwam en ik leek ze zo’n aardig meisje. Omdat ik (vanwege heimwee!) niet zonder mijn broertje wilde, besloten ze uiteindelijk dat we dan maar allebei bij hen zouden blijven. Pas jaren na de oorlog begrepen we dat ze ons ook uitgekozen hadden vanwege onze achternaam, Gassan, die hen Joods voorkwam, wat ook zo was met een Joodse vader, en ze wilden voorkomen dat we in huis zouden komen bij inwoners uit het dorp die ook van NSB-sympathie verdacht zouden kunnen worden.

Op de zolderverdieping was een slaapkamer met een groot bed, waar broertje en ik een slaapplek kregen. We kregen de uitdrukkelijke mededeling dat we, wat we ook hoorden, als we eenmaal in bed lagen, niet meer uit onze slaapkamer mochten komen. Voor eventueel nachtelijk wc-bezoek kregen we een po’tje mee. Van verzetsactiviteiten wisten we als kind natuurlijk niets. Vaak hoorden we, als we al in bed lagen, mensen op de zolderverdieping lopen en dan riepen we wel: 'Tante Marie, bent u dat?' maar daar reageerde (natuurlijk) niemand op.

Pas jaren na de oorlog hoorden we dat er op zolder achter schotten onderduikers en Engelse piloten verstopt zaten en dat die dan ’s avonds wel gelucht werden. Tante Marie naaide kleine zakjes voor ons en in de oogsttijd kregen we altijd wel handjes graan en die brachten we dan naar huis, waar kleine pakjes van 1 ons (zwaarder mocht kennelijk niet) gemaakt werden die dan naar Amsterdam gestuurd konden worden. Er werden een heleboel pakjes tegelijk verstuurd en daarvan kwamen er altijd wel een paar aan, zodat onze ouders in Amsterdam ook nog iets te eten konden maken.
Mijn broertje vond het in eerste instantie maar niets, bij een dominee in huis, want hij riep altijd dat hij naar de boeren wilde. Gelukkig kwam hij ook in Vriescheloo wel aan zijn trekken, want in de boerderij naast de pastorie, bij tante Co en oom Geert, kon hij altijd terecht. Ik herinner me trouwens ook altijd nog een heel grote en vooral hoge schuur waar een geweldige schommel hing, waar je heel hoog mee kon schommelen.

Onze vader en moeder hebben ons na de oorlog, via allerlei ingewikkelde reisconstructies, zelf uit Vriescheloo opgehaald en via connecties van oom Phlip zijn we toen weer met ons vieren in Amsterdam aangekomen. Een tijdje hebben we nog contact gehad met de Greeven-familie, maar dat verwatert dan toch een beetje. Jaren later is, gelukkig, dat contact weer hersteld en na het overlijden van tante Marie en later van oom Phlip is dat contact ook altijd gebleven, nu nog met hun zoons en familie.