Groninger verzetshelden

Meindert Veldman - Hekkum

Geboren: 12 december 1904, Hekkum (Adorp)

Gestorven: 20 februari 1945, Bergen Belsen, Duitsland

Boer Meindert Veldman en zijn vrouw Tine waren in de oorlog 1940-1945 actief in het verzet. De boerderij op Hekkum was zowel onderduikadres als uitvalsbasis voor verzetsactiviteiten.

Het gezin Veldman woonde op een boerderij op Hekkum, aan de Hekkumerweg 9 en bestond uit vader Meindert Veldman (1904-1945), moeder Tine Kiers (1906-1988) en de kinderen Alina (1932), Freerk (1934), Jan Anne (1937) en Gerdien (1941).

In de jaren dertig was het crisis alom, ook in de landbouw. De boerderij met 80 hectare land bestond voor plm. 70 ha uit akkerbouw en 10 ha grasland. Het was vanaf de stad gerekend de eerste bouwboerderij. Verder waren het in deze omgeving voornamelijk veeboeren. Omdat deze grond eigenlijk niet geschikt was voor akkerbouw (te zware klei), besloot Meindert eind jaren dertig naar de nieuwe Wieringermeerpolder te verhuizen. Door het uitbreken van de oorlog ging dat niet door.

Clandestien dorsen
Tijdens de oorlog heeft Meindert Veldman veel gedaan voor de voedselvoorziening in de provincie Groningen. Al het verbouwde graan moest aan de Duitsers geleverd worden. Maar er werd op de boerderij zo veel mogelijk achtergehouden. Bij het clandestien dorsen werd het koren uitgespreid op de deel. Alle schuurdeuren gingen dicht en een span paarden liep vervolgens over het koren. Het zaad werd daarna in zakken geschept, meest tarwe, dat voornamelijk door molenaar Hazekamp in de molen van Adorp werd gemalen. Het meel was nodig voor diverse mensen in de omgeving, vaak gedistribueerd door bakker Zwartenkot met zijn bakkerskar. Een aanzienlijk deel ging ook per schip naar het westen van Nederland, waar men grote behoefte aan meel had. Freerk: “Hier moet ook fietsenmaker Dik genoemd worden, aan de Bedumerweg in de stad Groningen. Deze man fungeerde als knooppunt in de distributie van meel naar het Westen.”

Actief verzet
Meindert Veldman was eerst leider van de verzetsgroep Nul, een verzorgingsgroep voor onderduikers, die speciaal in de provincie Groningen actief was. In 1944 werd hij provinciaal leider van de Groningse knokploegen. Knokploegen waren opgericht door de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), voornamelijk om te zorgen voor bonkaarten voor onderduikers, die door overvallen op distributiekantoren (‘kraken’ in verzetstermen) buitgemaakt werden. Later werden door de KP’ s ook liquidaties en sabotagedaden gepleegd.

Het actieve verzet van Meindert begon in oktober 1942 met het onderdak verlenen aan twee jonge marechaussees, Willem Homoet en Hylke van der Heide (schuilnamen Wim en Piet). Deze hadden van de burgemeester van Bedum de opdracht gekregen om het Joodse echtpaar Meijer te arresteren. Wim en Piet weigerden dat, lichtten het echtpaar Meijer hierover in en vluchtten vervolgens naar Hekkum. Het echtpaar Meijer dook onder maar werd uiteindelijk toch gearresteerd en afgevoerd naar Auschwitz, waar ze zijn vergast. De twee marechaussees kregen op de boerderij van Veldman een verblijf in de nok van de dakkapel boven het balkon aan de voorkant van het woonhuis. Het was er erg krap, je kon er net met zijn tweeën liggen. Jan Anne benadrukt dat Hekkum een onderduikplaats was voor verzetsstrijders en niet voor “gewone” onderduikers die weigerden te werk gesteld te worden in Duitsland.

In 1943 is er huiszoeking geweest op de boerderij. De Duitsers dwongen Freerk (toen 9 jaar) hen naar zijn vader te brengen. Meindert werd ruw ondervraagd, maar bleef rustig. Ondertussen haalden de Duitsers alles overhoop maar konden niets verdachts vinden. Meindert was boos over zoveel rommel en eiste excuses. Die kreeg hij schoorvoetend, maar hij bleef verdacht. Ze hebben vreselijk geluk gehad want in de schuur, in een donkere hoek naast wat gereedschap en werktuigen, stond een kist met verboden spullen, pamfletten, geweren, munitie en radio’s, die Meindert juist in het hooi wilde verstoppen. De Duitsers hebben de kist niet opgemerkt. De onderduikers op Hekkum konden tijdig ontsnappen, want postbode Dijksterhuis, die ook de telefooncentrale beheerde, had gehoord dat deze overval op handen was en kon de mensen op Hekkum tijdig waarschuwen.

Acties vanuit de verzetsgroep op Hekkum waren o.a. een overval op het distributiekantoor in Slochteren, waarbij een grote hoeveelheid bonkaarten is buitgemaakt en verstopt op de boerderij. Verder het in brand steken van treinwagons met stro voor de Duitsers bij Hoogkerk en ook het bevrijden van opgepakte verzetsstrijders. Voordat de mannen vertrokken voor een dergelijke actie werd er altijd eerst gebeden. Dat was voor iedere actie een vast ritueel, ze gaven elkaar daarna een hand en zongen het bekende lied Een vaste burcht is onze God. Meindert Veldman was belijdend lid van de Gereformeerde kerk en had veel steun aan zijn geloof. De zondag voordat hij werd opgepakt door de Duitsers, preekte de dominee over zondag één, uit de Heidelbergse Catechismus: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Na afloop van de kerkdienst zei Meindert: ‘’Zo, nu kunnen we er weer tegenaan.”

Verraad door Geesje Bleeker
Op de avond van 27 juli 1944 werd Meindert door verraad van de koerierster, Geesje Bleeker, op de boerderij gearresteerd. Jan Anne: “Geesje was bij ons kind aan huis, speelde vaak met ons en nam soms snoepjes voor ons mee.” Die middag was ze nog in de tuin van de boerderij om zich er blijkbaar van te vergewissen dat Meindert thuis was. Ook toen heeft postbode Dijksterhuis nog gebeld naar de boerderij, maar Meindert reageerde: “Ik kan niet weg met al die kinderen hier…”

Geesje Bleeker uit Delfzijl was een jonge, aantrekkelijke vrouw, waar veel mannen op vielen. Binnen het verzet was dat de eerder genoemde Hylke van der Heide. Maar ze had ook omgang met verschillende hoge Duitse militairen. Op voorstel van Homoet en Van der Heide is Geesje als koerierster opgenomen in de verzetsgroep van Meindert Veldman. Het natrekken van haar antecedenten is echter wegens tijdgebrek onvoldoende zorgvuldig geweest. Daardoor heeft ze minstens zeventien verzetsmensen in Groningen aan de Duitsers kunnen verraden, waarvan vijf de oorlog niet hebben overleefd. Behalve in de provincie Groningen was ze later ook actief in Drenthe, waar ze een zelfde dubbelrol speelde. In Diever heeft ze onderduikers gewaarschuwd en geholpen te ontsnappen vlak voor een overval op een boerderij, maar ze heeft ook verzetsmensen verraden. Nog later was ze voor de Duitsers informant in de gevangenis om medegevangenen uit te horen.

Moeder kwam niet
De kinderen Veldman werden na de arrestatie en het afvoeren van vader Meindert als gijzelaars opgesloten in een slaapkamer, bewaakt door een Duitse militair. Jan Anne herinnert zich nog dat hij erg bang was, vooral als hij naar de wc moest. Hij moest dan langs een Duitse soldaat met een geweer, die op wacht stond voor de deur. De Duitsers verwachtten dat moeder Tine spoedig bij haar kinderen op de boerderij zou komen, waarna ze ook haar konden arresteren. Want ook moeder was actief in het verzet. Moeder was die dag toevallig naar de stad voor boodschappen, maar werd onderweg naar huis gewaarschuwd door de buren Raangs van de villa Hecticum, aan de Provincialeweg. Ze heeft die nacht doorgebracht bij de familie Werkman in het Schathoes bij de ijsbaan in Sauwerd en is daarna ondergedoken in de stad Groningen.

Familie Bijsterveld
Toen de overvalwagen met Meindert erin wegreed, vroeg Meindert aan de Duitsers om even te stoppen bij de boerderij van Bijsterveld. Hij vroeg daarbij of vrouw Bijsterveld op de kinderen mocht passen. Dat was Meinderts grootste zorg, dat de kinderen alleen achterbleven. Het verzoek werd gehonoreerd en vrouw Bijsterveld voegde zich bij de kinderen.

Jan Anne: “De familie Bijsterveld is zeer waardevol geweest voor ons gezin. Zo was Hennie, onze dienstbode, als een zuster voor mij.” Hennie (toen plm. 19 jaar), was een van de tien kinderen van Jan Luitje Bijsterveld en Aaltje Hummel. Bijsterveld moest, nadat Meindert Veldman was opgepakt, de werkzaamheden op boerderij leiden. Het gezin woonde op boerderij “De Wieken”, ten zuiden van de Hekkumerweg, bij de driesprong op Hekkum. Deze boerderij was ook eigendom van de familie Veldman en is vlak na de oorlog door brand verwoest.

Vrouw Bijsterveld wist het voor elkaar te krijgen dat de kinderen toch konden ontsnappen, min of meer onder de ogen van de Duitse bewakers. Ze heeft aan de Duitsers gevraagd of de kinderen buiten in de tuin mochten spelen, met het argument, je kunt die kinderen niet dagenlang in een kamertje opsluiten. Dat werd toegestaan.

In opdracht van vrouw Bijsterveld kwamen de kinderen een voor een bij haar in de keuken van de boerderij. Daar trok ze hen zoveel mogelijk kleren aan, ondanks het warme zomerweer. Daarna gingen ze weer naar buiten om te spelen. De buren Heuker en Dijkstra hebben toen een voor een de kinderen al spelenderwijs naar de bosjes gelokt en ineens waren ze verdwenen. Verstopt in de boerderij van Bijsterveld, op de zolder boven de paardenstal. Ze hebben daar ook nog gegeten. Daarvandaan zijn ze naar het Reitdiep gebracht, zijn die overgestoken met een klaarliggende boot om vervolgens bij verschillende onderduikadressen in de provincie te worden ondergebracht.

Beide broers vragen zich nu nòg af hoe het toch mogelijk geweest is dat de Duitsers niet gemerkt hebben dat de kinderen ontsnapten. En ook dat vrouw Bijsterveld niet opgepakt is. Freerk: “Wij als kinderen genoten blijkbaar een zekere vrijheid. Bovendien waren er op Hekkum veel meer kinderen en ook de familie Bijsterveld was een groot gezin. Daardoor hadden de Duitsers wellicht geen goed overzicht over alle kinderen.” Op de vraag vanwaar die moed en durf van hun vader en moeder en van de familie Bijsterveld zegt Freerk: “Je bent tot meer in staat dan je denkt.” Jan Anne voegt eraan toe: “En je rolt er in, bijna als vanzelf. Daarna is er eigenlijk geen weg terug.”

Weer bijeen in Groningen
Na een verblijf op diverse onderduikadressen, de kinderen in de provincie, moeder in de stad, kwamen ze weer samen op een onderduikadres bij de familie Eskes aan de Oliemulderstraat in de Oosterpoortwijk in Groningen. Het was het meestershuis van een lagere school, een groot herenhuis met een serre. Het huis staat er nog, de school is er niet meer. Freerk en Jan Anne sliepen er op de bovenverdieping in een bedstee. Achter een houten wand sliepen nog andere onderduikers. Tijdens deze onderduikperiode hadden de kinderen schuilnamen. Jan Anne heette Jan de Boer, Freerk was Frits en moeder was mevrouw de Boer.

Maar ook dit onderduikadres werd verraden en tijdens een razzia zijn ze, ook het gezin Eskes, naar het Scholtenhuis afgevoerd. Freerk vertelt daarvan nog een anekdote. Het was op de verjaardag van Eva, een van de kinderen van de familie Eskes. Via-via had vader Eskes geregeld dat er gebakjes waren, wat in die periode van de oorlog een bijzonderheid was. Deze gebakjes zouden ’s avonds genuttigd worden, maar zover kwam het niet. Freerk ziet het nog voor zich: “Terwijl de Duitsers schreeuwend het huis binnenstormen, gooit mevrouw Eskes de doos met gebak in de kachel met de woorden: ‘Die zullen de Duitsers niet hebben.’”

Het Scholtenhuis
Het Scholtenhuis aan de Oostzijde van de Grote Markt in Groningen werd tussen 1878 en 1881 gebouwd in opdracht van de bekende Groninger industrieel W.A. Scholten. Het pand werd door de bezetter gebruikt als hoofdkwartier voor de regionale afdeling van de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei. Onder leiding van de gevreesde SD'er Robert Lehnhoff (de beul van het Noorden) werden er honderden verzetsstrijders gevangengenomen, verhoord en beestachtig gemarteld.

Toen moeder en de kinderen in het Scholtenhuis aankwamen, in de kamer van Lehnhof, begreep moeder dat de schijn ophouden nu geen zin meer had. Toen ze zei wie ze werkelijk was riep Lehnhof: “Eindelijk hebben we dan mevrouw Veldman te pakken.” Toch heeft moeder niets losgelaten, ondanks dat ze tijdens de verhoren behoorlijk te lijden heeft gehad. Freerk: “Voor een kind is dat heel moeilijk om aan te zien, want je kunt niets doen.” De kinderen zijn niet geslagen.

Moeder en de kinderen (uitgezonderd kleine Gerdien, die woonde bij familie in Aduard) plus het gezin Eskes werden opgesloten op de zolderverdieping van het Scholtenhuis. Daar werd op een zeker moment ook ene Domela Nieuwenhuis binnengebracht. Jan Anne is toen heel erg bang geweest, want de man zat onder het bloed en ging verschrikkelijk tekeer. Zijn zoon was even tevoren door de Duitsers doodgeschoten. Deze zoon was ook actief in het verzet en had een advocatenkantoor in de Pelsterstraat in Groningen, tegenover het Pelstergasthuis, het gebouw staat er nog. De vader, Jan Derk Domela Nieuwenhuis, was dominee en een neef van de bekende politicus Ferdinand Domela Nieuwenhuis, een van de oprichters van de socialistische beweging in Nederland. De vader schreeuwde toen hij werd binnengebracht: “Ze hebben mijn zoon vermoord, de schurken, de schavuiten.”

Het was daar op de zolder van het Scholtenhuis erg vol met gevangenen. Als ze niet verhoord werden viel er de meeste tijd niet veel anders te doen dan wat naar buiten kijken, op de Grote markt. Op dinsdagmorgen werden de kramen voor de wekelijkse markt opgezet. Dat ontlokte bij Jan Anne de opmerking: “O moeder, kijk, de Israëlieten zetten hun tenten op.”

Moeder stond op een andere keer voor een van de ramen van de zolderverdieping en zag opeens Hennie Bijsterveld, hun dienstbode, op de Grote Markt. Ze liep voor het stadhuis langs en kamde haar haar. Toen kamde moeder ook haar haar. Dit was een wederzijds levensteken naar elkaar over een afstand van vele tientallen meters. Dat moest wel op die manier, want de Duitsers in het Scholtenhuis waren er fel op dat de gevangenen iemand op straat herkenden. Die kon ook in het verzet zitten en alsnog gearresteerd worden.

Een groot wonder
Na drie dagen zijn moeder Tine en de kinderen weer vrijgelaten. Officieel wegens plaatsgebrek, maar waarschijnlijk met opzet, om te zien naar welk adres ze zouden gaan, om zo nog meer onderduikers te kunnen oppakken. De SD-ers volgden hen, naar ze dachten ongezien. Jan Anne herinnert zich dat hij, als hij angstig achterom keek, soms in een flits een soldaat in een portiek zag glippen. Freerk: “Omdat moeder in Groningen de middelbare school had gevolgd, kende zij de binnenstad op haar duimpje en wist allerlei steegjes en kleine straatjes.” Toen ze zo door de stad liepen, achtervolgd door SD-ers, gebeurde er een “groot wonder”. Het was augustus en er brak een ongekend hevig onweer los, met felle bliksemslagen, harde wind en stortregens. Het was echt noodweer en moeder en de kinderen werden drijfnat. Maar ze liepen stevig door en schuilden niet. Ze gingen het ene steegje in, sloegen een hoek om en gingen weer een ander straatje in. Zo hebben ze de Duitse achtervolgers van zich af kunnen schudden.

Ze zijn toen naar het huis van dominee Van der Ziel gegaan. Diens vrouw was een nicht van moeder Tine. De pastorie van Van der Ziel bevond zich in een zijstraat achter een apotheek op de hoek van het Damsterdiep en de Petrus Campersingel. Toen moeder met de kinderen bij het huis van Van der Ziel aanklopten voor onderdak, zei tante Jo: “Jullie kunnen hier echt niet zijn. Jullie moeten hier weg!” Dat zei ze volgens Freerk omdat haar man ook in het verzet zat. Ze zijn niet eens binnen geweest.

Ds. A. van der Ziel (1905-1990) was predikant van de Gereformeerde kerk van Wetsinge-Sauwerd geweest van 1940 tot 1943. Daarna ging hij naar Groningen. Hij is vooral bekend geworden door zijn rol bij het ontstaan van de Vrijgemaakte kerk in 1944. Volgens Jan Anne zat hij inderdaad in het verzet en heeft hij enige tijd gevangen gezeten. “Ook liet hij in Sauwerd tijdens de kerkdienst soms het Wilhelmus zingen,” zegt Jan Anne.

Naar Ten Post
Moeder en de kinderen liepen verder over het Damsterdiep in oostelijke richting. De bedoeling was om richting Ten Post te gaan, waar de ouders van moeder een boerderij hadden, “Dinghweer”, vlakbij Lellens. Het bleef echter maar regenen. Moeder realiseerde zich dat ze in ieder geval zo niet door konden lopen naar Ten Post. Ze waren allemaal doornat en verkleumd. En de afstand was veel te groot, zeker voor de kinderen, en bovendien was het niet ongevaarlijk. Ten einde raad belde ze op Oosterhoogebrug op goed geluk aan bij een huis. “Toen gebeurde er opnieuw een groot wonder,” zegt Freerk. Op dit adres bleek een groenteboer te wonen die ook wel met groente ventte in Ten Post en die de ouders van moeder Tine kende. Ze werden hartelijk ontvangen, konden zich wat opknappen en kregen wat te eten en te drinken.

Deze man zei: “Ik breng jullie wel naar Ten Post met de groentekar.” De kinderen gingen plat in zijn groentekar liggen. Daar werden groentekistjes schuin overheen geplaatst met een kleed erover en met een paard ervoor. Moeder kreeg mannenkleren aan en een pet op en ging naast de man op het bankje zitten. Zo zijn ze naar Ten Post gereden.

Opa en oma Kiers wisten niet wat ze zagen, ze waren totaal verrast. Op deze boerderij zijn ze gebleven tot aan de bevrijding, zonder verder noemenswaardige belevenissen. De kinderen gingen daar zelfs naar school. Ook Gerdien is hier naartoe gebracht.

Moeder Tine is toen nog een paar keer op de boerderij in Hekkum geweest om te zien hoe het er bijstond en om te overleggen met Bijsterveld over de werkzaamheden. Ze was dan verkleed als veekoopman in een lange jas met een pet op en laarzen aan.

Het vervolg van Meindert, Wim en Piet
Na zijn arrestatie is Meindert afgevoerd naar het Scholtenhuis in Groningen, waar hij ondervraagd en stevig gemarteld is. Vervolgens kwam hij terecht in de Scheveningse gevangenis, het “Oranjehotel”, waar hij ook hardhandig is verhoord. Daarna is hij overgebracht naar het concentratiekamp Vught.

Willem Homoet en Hylke van der Heide wilden aanvankelijk naar Engeland via Delfzijl, maar dat mislukte door verraad. In 1944 waren ze actief binnen de verzetsgroep Groningen aan de Turfsingel, die eveneens door verraad van Geesje Bleeker werd opgerold en naar het Scholtenhuis gebracht. Dat was op dezelfde dag dat ook Meindert werd gearresteerd. Zo kwamen Homoet en van der Heide later tegelijk met Meindert Veldman in Vught terecht. Terwijl de geallieerde bevrijdingstroepen Vucht al naderden, werd Van der Heide daar in 1944 gefusilleerd. Meindert en Wim Homoet zijn samen op transport gesteld naar concentratiekamp Sachsenhausen en van daaruit overgeplaatst naar concentratiekamp Bergen Belsen. Daar zijn beide vrienden op dezelfde dag, op 22 februari 1945, overleden aan vlektyfus. De familie Veldman was tot 24 juni 1945 onkundig van de dood van vader Meindert. Op die dag kregen ze via het Internationale Rode Kruis het bericht dat hij was overleden.

 

Bronnen:
Interview met de broers Jan Anne en Freerk Veldman, januari 2018.
DVD (video-opname) van een gastles door Jan Anne Veldman, Verzet en Verraad in Sauwerd ’40-’45, op de OBS te Eenrum (groep 7), 2016.
Gerben Dijkstra (red.) e.a., Geesje Bleeker, ik pleegde geen verraad om het verraad, Beilen, 2016.
Wieger Kamminga, De gemeente Adorp in de storm, Lesbrief voor het basisonderwijs over de Tweede Wereldoorlog, Sauwerd, 2010, uitg. in eigen beheer.
Kees Jonkheer, Hekkum in oorlogstijd, Kampen, 2008, uitg. in eigen beheer.