Groninger verzetshelden

Geert Woltjer - Stedum

Geboren: 28 november 1915, Ten Post

Gestorven: 17 december 2000, Loppersum

Geert Woltjer was, net als zijn vader, timmerman. Hij woonde met zijn vrouw Mina in Stedum toen de oorlog uitbrak. Geert wilde niets liever dan de gehate bezetter tegenwerken en vormde samen met een paar kameraden een verzetsgroep in Stedum. Ze kwamen in contact met de KP in Groningen, die erop aandrong zo spoedig mogelijk een begin te maken met de 'werkzaamheden'. 

Woltjer en zijn groep probeerden de nazi's op verschillende manieren dwars te zitten, maar hun pogingen waren geen van alle succesvol. In de herfst van 1943 probeerden ze een gearresteerde jongen te bevrijden uit de cel van het gemeentehuis. Woltjer schreef later:

'We trokken er 's nachts met 4 man op uit, gewapend met een geweldig breekijzer. Het weer was gunstig, stormachtig. We moesten voorzichtig zijn, want de cel was gebouwd aan het gemeentehuis en dit werd bewaakt door de nachtwacht, terwijl er enige bij waren die niet voor 100 procent te vertrouwen waren.
We togen aan het werk, 2 man op de uitkijk en 2 aan het forceren met de stenen tralies. Het was een hels lawaai midden in de nacht. We kregen al spoedig contact met de gevangene die wel best raar ophoorde van het vreemde rumoer. Zijn hoop van bevrijd te worden werd echter teleurgesteld.
We hebben enige uren doorgewerkt, onverbiddelijk, hardnekkig, totdat we eindelijk moesten bekennen: we komen niet door het muurwerk heen, het is te solide gebouwd. Het hele gebouw trilde van de geweldige slagen die we toebrachten. Waar we mee forceerden was een ijzer dat door twee man gedragen moest worden. Evenwel waren we niet in staat de gevangene te bevrijden, we dropen af teleurgesteld over onszelf en met weinig tijd om nog iets andere te proberen.'

De volgende poging was een overval op hetzelfde gemeentehuis, om bonkaarten en andere paperassen te bemachtigen. Woltjer:

'De heren nachtwachten zaten genoeglijk hun boterhammetje op te peuzelen, toen er plotseling een geweldige klap gehoord werd. Het glas vloog door de kamer, het luik vloog middendoor en enige vermomde koppen verschenen door het kapotte raam. "Handen omhoog" werd er geroepen, een vuurstraal uit een revolver werd gevolgd door een angstschreeuw en – te laat! – de sirene begon te loeien, de lampen begonnen te branden en de omgeving baadde in een zee van licht. Het signaal was onveilig en als een schok vloog het door ons heen: 'Mislukt'. De sirenes loeiden maar en met ons werk was het afgelopen.
Nog even hebben we naar binnen gegluurd om te zien hoe de situatie daar was. De nachtwachten zagen lijkbleek, een stond met de handen omhoog, de andere lag in een hoek van het vertrek, nummer drie was een bezwijming nabij en de dader die op het alarmknopje had gedrukt was onder de tafel gedoken en wachtte daar de dingen af die zouden komen. Er gebeurde echter niets. Wij marcheerden af zoals we gekomen waren.
We waren erg ontevreden over de mislukking, toch hebben we ook inwendig moeten lachen over de komieke houden van de nachtwacht.'

In de zomer van 1944 kregen de Stedumers via de KP in Groningen de opdracht om treinwagons met stro te saboteren. Nadat een aantal wagons in vlammen was opgegaan, stelde de NSB-burgemeester extra wachtposten in, waaronder leden van de verzetsgroep. Die werden vervolgens omsingeld en gearresteerd. Ook Woltjer werd kort daarna opgepakt en naar het Scholtenhuis gebracht, waar hij twaalf dagen vastzat. Woltjer:

'En daar stond ik dan op de zolder van het beruchte Scholtenhuis: zware dakspanten, ruwe houten vloeren,een berg bruinkool aan de ene zij, een oude tafel en drie stoelen in het kleine opkamertje. Een emmer voor de nodige boodschap. Er heerste een drukkende stilte. Enige keren per dag werd er een naam afgeroepen voor 't verhoor.
'Schnell mensch, schnell-schnell;' soms kwamen ze na een uur weer terug, moedeloos, gezwollen gezichten, blauwe ogen. Als je niet praten wilde: 'bats', een slag tegen je kaken. En daar bleef het niet bij. In de 12 dagen van mijn verblijf op zolder was ik op den duur bekend met alle handelingen die er gebeurden met de gevangenen. […]
De deur ging open en een lichaam werd naar binnen geduwd en bleef liggen, zwaar gehavend door het vele slaag. Tijdens mijn verblijf heb ik nooit een woord van hem gehoord. Ik herinner mij dat de oude dominee [Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard] nog vroeg om een dokter, Ja, dat kon wel, moest hij maar even weer mee terug komen. De Schweinhunde.'

Na twaalf dagen op de zolder werd Woltjer op transport gesteld naar Delfzijl, waar hij in het kamp Farmsum belandde. Even voordat hij overgebracht zou worden naar het eiland Norderney is hij ontsnapt. Hij heeft tot het einde van de oorlog ondergedoken gezeten, eerst in Onderdendam en later in Stedum bij een weduwe, die niet wist dat haar huishoudster een onderduiker verborgen hield.

Woltjer: 'De bevrijding kwam en toen konden wij optreden als BS-leden. We weten dat we in alle gevallen niet geslaagd zijn, maar in ieder geval we hebben de vijand werk bezorgd en zodoende een klein steentje bijgedragen tot zijn ondergang.'