Groninger verzetshelden

Bernardus ter Horst - Bedum

Geboren: 3 september 1886, Opende

Gestorven: 8 december 1944, Marum

Het onbevoegd voorhanden hebben van munitie in bezettingstijd is ook voor een onderluitenant van politie een vergrijp. Wanneer het geklets van een ondergeschikte verraadt dat via hem patronen bij de illegaliteit zijn terechtgekomen, wordt het voor beiden een doodzonde … letterlijk.

In het dorp Opende (provincie Groningen) wordt op 3 september 1886 Bernardus ter Horst geboren. Zijn vader is daar rijksveldwachter. Het gezin verhuist en Bernardus groeit op in Hoogezand en Sneek; later gaat hij werken als vertegenwoordiger. Maar hij wil bij de politie en haalt, zoals het toen gebruikelijk was eerst in eigen tijd en voor eigen kosten, een politiediploma. In oktober 1910 wordt hij aangenomen als agent van politie in de stad Groningen en kort daarop trouwt hij met zijn Klaasje. Een functie als politieman op het platteland trekt toch meer en hij solliciteert bij de Rijksveldwacht. In november 1913 kan hij aan de slag als rijksveldwachter bij de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen. Even daarvoor werd hun eerste dochter geboren en later komen er nog twee dochters bij. Zijn loopbaan brengt hem naar de standplaatsen Groningen, Oude-Pekela, Dalen en Emmer-Compascum. Gelijktijdig met zijn bevordering tot brigadier-majoor op 1 november 1929 wordt hij commandant van de rijksveldwachtbrigade Appingedam.

Na de Duitse inval in mei 1940 is brigadier-majoor der Rijksveldwacht Ter Horst in functie als commandant van de brigade Appingedam. Maar de bezetter begint vanaf juni de politiemacht in Nederland sterk uit te breiden en wil die ook reorganiseren. Als eerste wordt in maart 1941 de Rijksveldwacht opgeheven en gaat het personeel over naar de Marechaussee. Voor Ter Horst betekent dit een aanstelling als opperwachtmeester bij dit Wapen. In Bedum wordt per 1 april een marechausseebrigade ‘uitgezet’ met opper Ter Horst als commandant. Bij de volgende politiereorganisatie in maart 1943 wordt de Staatspolitie opgericht, waaronder ook de politie op het platteland komt te vallen. Deze wordt nu ‘Marechaussee (Gendarmerie)’ genoemd en hiërarchisch georganiseerd in posten, groepen, afdelingen, districten en gewesten. De Groningse gemeenten Bedum, Adorp en Winsum vallen nu onder de Groep Bedum. Ter Horst krijgt ontslag bij de Marechaussee en een aanstelling als onderluitenant bij de Staatspolitie met een indeling bij de ‘Marechaussee (Gendarmerie)’. Hij wordt commandant van de Groep Bedum en heeft in het dorp ook zijn bureau.

'Zeer gezien'
Ter Horst is een goed vaderlander en komt hier ook duidelijk voor uit. Zijn echtgenote in een latere verklaring: ‘Hij toonde zich in alles een felle tegenstander van het Nat. Socialisme en was een NSB-hater. Hij werkte niet in een [illegale] organisatie, doch van hem ging ten goede voor de goedwillende bevolking zeer veel kracht uit. In woord en daad heeft hij dit telkens getoond. Hij was dan ook bij de bevolking van Bedum en bij zijn ondergeschikten zeer gezien’. Ter Horst laat waarschuwen voor arrestaties en ondersteunt de illegaliteit met het verstrekken van inlichtingen. Vier wachtmeesters van zijn groep zijn ondergedoken en illegaal bezig. Wanneer eind september 1942 opdracht komt om het joodse echtpaar Meijer (de enige twee joden in Bedum) te arresteren, worden ze op tijd gewaarschuwd. Bij een latere verplaatsing van deze mensen naar een ander onderduikadres, krijgen ze tijdelijk onderdak bij de familie Ter Horst.
Opmerkelijk is dat Ter Horst met deze felle anti-Duitse houding toch steeds goed weg komt bij zijn districtscommandant, kapitein Rauwerda (NSB en Germaansche SS). Deze komt zelfs steeds voor hem op wanneer tegen Ter Horst klachten worden ingediend.

Zijn postcommandant in Zuidwolde, wachtmeester Schuur, blijkt op 6 november 1944 te zijn verdwenen. Ter Horst en zijn postcommandant in Bedum, wachtmeester Niemeijer, gaan op onderzoek uit. Ze krijgen bij de Sicherheitspolizei (Sipo) in Groningen te horen dat zij van niets weten en dat Schuur weleens door de illegaliteit ontvoerd zou kunnen zijn. De werkelijkheid is dat Schuur die dag door de Sipo is gearresteerd, maar dit mag kennelijk nog niet naar buiten worden gebracht. Het onderzoek is in handen van kriminalsekretär Lehnhoff.

Gearresteerd
Het gevolg van Schuurs arrestatie is, dat Ter Horst nu door de Sipo wordt verdacht van ‘levering van munitie voor illegale doeleinden’. Voor zijn arrestatie wordt een list bedacht. Een ploeg onder leiding van Lehnhoff gaat de volgende avond naar de woning van de locoburgemeester van Bedum, de NSB’er Vogelzang. Die is nog niet thuis maar wel zijn zoon, ook lid van de NSB en tevens hulplandwachter. Ze laten hem bellen naar Ter Horst met de vraag om langs te komen voor een gesprek over Schuurs verdwijning. Mevrouw Ter Horst neemt op, want haar man is er nog niet. Nadat Vogelzang is thuisgekomen, krijgt hij te horen dat Ter Horst moet worden gearresteerd en er wordt nog een keer gebeld. Nu neemt Ter Horst zelf op, maar hij vertrouwt het toch niet helemaal en neemt wachtmeester Niemeijer met zich mee. De twee worden vriendelijk door Vogelzang binnengelaten, doch daarna meteen ontwapend. De Sipo neemt Ter Horst mee naar Groningen en Niemeijer moet op Lehnhoffs bevel nog anderhalf uur bij Vogelzang blijven. Eerst doorzoekt de ploeg nog de woning van Ter Horst, waar volgens Lehnhoff zo’n twintig patronen worden gevonden.

Nog diezelfde avond krijgt Niemeijer opdracht van Rauwerda om naar het groepsbureau te gaan. Tegen 23.00 uur verschijnt Rauwerda daar, die direct naar de schrijfmachinetafel gaat en uit een kastje enkele pistoolpatronen haalt. De aanwezigheid van deze patronen is Niemeijer niet bekend en overigens ook in strijd met de voorschriften. Dan vertelt Rauwerda hem: ‘Ter Horst was gearresteerd op grond van het feit, dat hij eerder aan zijn ondergeschikte Schuur drie patronen had verstrekt, welke deze weer had overgegeven aan twee ondergedoken collega’s. Voor deze fout was Schuur daags tevoren gearresteerd.’ Rauwerda doet verder geen onderzoek, waaruit kan worden afgeleid dat Ter Horst hem de plek van de patronen heeft verteld.

Trambaan
Ter Horst zit gevangen in het Huis van Bewaring in Groningen. Van rechtspraak is sinds september 1944 geen sprake meer en zijn lot lijkt onontkoombaar. Wanneer op 23 november een sabotageploeg de tram tussen Drachten en Groningen vlakbij Marum heeft laten ontsporen, zullen als represaille vijf mannen worden doodgeschoten. In de voormiddag van 8 december haalt de Sipo vijf todeskandidate, waaronder Ter Horst, uit het Huis van Bewaring en brengt ze met de tram naar Marum. Op de trambaan voeren leden van de Ordnungspolizei de executie uit en ter afschrikking moeten de lichamen een dag blijven liggen. De vijf worden in Marum begraven. Na de bevrijding worden de resten van Ter Horst op 14 juli 1945 in Bedum met veel eerbetoon herbegraven. Het gemeentebestuur eert hem met een bijzondere grafsteen.

Wachtmeester Reint Roelof Schuur wordt op 16 oktober op transport gesteld naar concentratiekamp Neuengamme. In de periode eind januari tot en met 10 maart zijn circa vijfenzestig Nederlandse gevangenen in de arrestbunker opgehangen en direct daarna gecremeerd. Het bijschrijven van hun namen in de dodenboeken wordt bewust achterwege gelaten. De ‘Commissie tot het Doen van Aangifte van Overlijden van Vermisten’ bepaalt in 1950 dat als datum voor de overlijdensakte van Reint Roelof Schuur 10 maart 1945 moet worden gehanteerd. Later is bekend geworden dat Schuur behoorde tot de vijftien die op 20 februari zijn opgehangen.

 

(Deze tekst is met toestemming overgenomen uit delen van het artikel ‘Verboden munitie’, auteur Henk G. Westland, eerder gepubliceerd in Marechaussee Contact, april 2015)